Nettie Kreté Lactatiekundige IBCLC

Nederlandse Vereniging van Lactatiekundige
Nederlandse Vereniging van Lactatiekundige

Wat doet een lactatiekundige precies ?

                                                                                 

De lactatiekunde IBCLC (International Board Certified Lactation Consultant) bestudeert het proces en de praktijk van borstvoeding. Hiervoor maakt een lactatiekundige gebruik van de voor de lactatie relevante kennis binnen andere terreinen van de wetenschap, zoals: anatomie, fysiologie, immunologie, voedingsleer, gedragswetenschappen.

De meeste ouders zullen weinig problemen ondervinden bij het geven van borstvoeding. Soms zijn er echter omstandigheden waarbij ondanks hulp en advies van andere hulpverleners problemen ontstaan rondom het geven van borstvoeding. In zo'n geval kan de Lactatiekundige met zijn specialistische kennis hulp bieden. Lactatiekundigen zijn hiervoor opgeleid en kunnen je adviseren en begeleiden bij probleemsituaties rondom de borstvoeding. Je kunt een lactatiekundige ondermeer inschakelen bij:

  • Voorlichting en advies met betrekking tot borstvoeding.

  • Problemen bij het aanleggen van de baby.

  • Het weigeren van de borst.

  • Pijnklachten.

  • Terugkerende borstontstekingen.

  • Onvoldoende melkproductie en/of onvoldoende groei van de baby.

  • Vroeggeboorte.

  • Ziekte of handicap van moeder of baby.

  • Opnieuw beginnen met borstvoeding. (relacteren)

In veel gevallen zal het prettig zijn als de lactatiekundige aan huis kom. Na het eerste consult, dat gemiddeld anderhalf uur in beslag neemt, heeft de lactatiekundige een goed beeld van de situatie. Tijdens het eerste consult wordt een gericht advies gegeven. Afhankelijk van de aard van het probleem kunnen meerdere consulten nodig zijn of kan de verdere begeleiding telefonisch plaatsvinden. De adviezen die gegeven worden , bijvoorbeeld over voedingshoudingen, kunnen in de eigen situatie meteen geoefend en aangeleerd worden. Daarnaast is het voor jonge baby's rustiger en makkelijker om niet te reizen als dat niet echt nodig is.

 

 

verwarring?!
verwarring?!

Tepel / speenverwarring?  1.  

 

Logopedische en lactatiekundige visie op drinken en zuigen: de stand van zaken:

 

 

Sinds vorig jaar is een werkgroep actief die wil uitzoeken in hoeverre logopedisten en lactatiekundigen werkelijk van mening verschillen over het drinkgedrag van de gezonde zuigeling. Door deze gedachten uitwisseling wil de werkgroep bevorderen dat beide beroepsgroepen van elkaar leren en kunnen samenwerken.

Op kleine schaal, als collega’s op een ziekenhuisafdeling bijvoorbeeld, lukt dat al aardig.

Tijdens de bijeenkomsten bleek het soms heel moeilijk en taai om te begrijpen wat de andere beroepsgroep precies bedoelt, ook al was ieders houding vanaf het begin zeer welwillend en geïnteresseerd in elkaars kijk op de zaak.

 

Het volgende kwam naar voren: lactatiekundigen willen erg graag dat de baby rechtstreeks aan de borst drinkt.

Voor logopedisten heeft dat een iets minder grote prioriteit.

 

 

Lactatiekundigen willen voorkomen dat problemen ontstaan.

 

Logopedisten gaan ervan uit dat als de reflexen goed zijn de baby goed kan drinken en of dat nu aan fles of borst gebeurt, beide zijn goede opties. Dit ligt aan de basis van de oplossingen die beide beroepsgroepen voorstaan.

 

Bondig samengevat: de lactatiekundige heeft het over drinken aan de borst versus zuigen aan de fles.

Voor de logopedist is zuigen gewoon zuigen.

 

Uit de werkgroep, samengesteld uit drie logopedisten en drie lactatiekundigen, kwam het volgende naar voren:

 

eenduidige oplossing

 

zowel logopedisten als lactatiekundigen zijn het erover eens dat er geen eenduidige oplossing is om een gezonde zuigeling (weer) effectief aan de borst te laten drinken. Per ‘individu’ dient gekeken te worden naar type en omstandigheden en daaraan dient een voedingsbeleid te worden gekoppeld. In die zin kan het (overigens begrijpelijke) gebruik van protocollen een effectief borstvoedingsbeleid in de weg staan en zijn doel voorbij schieten.

 

 - zuigverwarring

de term ‘zuigverwarring’, onder lactatiekundigen een vertrouwd begrip, wil een logopedist eigenlijk niet gebruiken.

 

Daar waar de lactatiekundige zegt: de zuigeling raakt verward t.g.v. (een mogelijk teveel aan) verschillende prikkels in het mondje, zegt de logopedist dat de zuigeling zich aanpast aan wat zich voordoet, bij wijze van overlevingsstrategie.

 

Logopedisten gaan er van uit dat de gezonde zuigeling die een fles aangeboden heeft gekregen, wel uit de borst kan drinken (dus nietverward

is door een andere techniek, type A) en die overgang ook kan maken.

Als het niet lukt om de overstap van fles naar borst te maken, spelen mogelijk andere redenen een rol, zoals bijvoorbeeld de flow uit de flessespeen, maar ook leeftijd type B.

Om de overstap van fles naar borst zo goed mogelijk te laten verlopen heeft de NOMAS-werkgroep enkele aanbevelingen gedaan, die indertijd verwoord zijn in de zgn ‘nomasbrief’.

 

 diagnose

 

als een kind problemen heeft met borstvoeding is een juiste diagnostiek belangrijk; hierbij kan zowel de lactatiekundige als de logopedist een rol spelen.

 

cup- en vingervoeden

 

beide voedingsmethoden dienen correct toegepast te worden

De logopediste zegt: om het risico op verslikken  te voorkomen.

De lactatiekundige zegt: om te voorkomen dat de zuigeling (alsnog)

 

- zuigverward zou raken door een verkeerde techniek. Vingervoeden dient eigenlijk alleen gebruikt te worden als zuigtraining, zegt de lactatiekundige.

 

-zuigtraining wanneer een baby niet effectief aan de borst drinkt, kan een correct uitgevoerde zuigtraining, deskundig uitgevoerd met behulp van vingervoeden, de baby weer op het goede spoor zetten, zegt de lactatiekundige.

 

De logopedist zegt:als een baby niet aan de borst drinkt moet men zich afvragen of de baby geholpen wordt door cup of vinger aan te bieden. Men gaat voorbij aan de normale ontwikkeling van de zuigeling. In die zin is het geven van flesvoeding een beter alternatief, omdat dit aansluit bij de normale ontwikkeling van de zuigeling.

 

-therapeutisch flesvoeden

We zijn ons ervan bewust dat het aanbevelen van therapeutisch flesvoeden, de zgn kassing methode, in strijd lijkt met de aanbevelingen van de WHO code, die het gebruik van een flessespeen ontmoedigt. Toch moet dit ook in overweging worden genomen omdat je een baby die niet aan de borst wil, niet eindeloos kan blijven cup- of vingervoeden.

Cup- en vingervoeden, alsmede gebruik van een lepeltje, kunnen kortdurend gebruikt worden bij de gezonde zuigeling, tijdens de eerste 48 uur en bij hoeveelheden tot maximaal 30 cc.

 

Lactatiekundigen hebben gemerkt dat sommige babies baat hebben bij de breastbottle, als hulpmiddel om (weer) aan de borst te gaan drinken.

Voor logopedisten is de toevoer bij deze fles te hoog en is het, zeker bij ‘type b’ babies, geen oplossing voor het, in later maanden, leren drinken uit de fles.

Logopedisten gebruiken de breastbottle niet.

Tot zover de stand van zaken binnen de werkgroep. Overigens zijn beide visies gebaseerd op studie, waarneming en ervaring en ontbreekt bij beide beroepsgroepen wetenschappelijke ondersteuning in de vorm van voldoende onderzoek.

 

In de komende NVL info verschijnt een artikel van de hand van Eveline Leeuwenburg, logopedist, waarin de logopedische kijk op zuigen wordt beschreven en verduidelijkt.

 

samengesteld door Eveline Leeuwenburg en Irene Spaans, logopedisten met ‘nomas’ en pre-logopedie, en Bea Mok, Mary Steen en Marianne Bittremieux, IBCLC

tepel / speen verwarring ? 2

verwarring?!
verwarring?!

Augustus 2004

Aan:

Logopedisten, ouders, (kinder)verpleegkundigen, kinderfysiotherapeuten, lactatiekundigen en anderen die beroepshalve of uit interesse betrokken zijn bij baby’s in de zuigperiode.

In Nederland zijn er veel mensen vanuit verschillende achtergronden betrokken bij de zorg voor de zuigende baby. In die zorg wordt er verschillend gekeken naar en geoordeeld over het fenomeen ‘ speen – tepelverwarring (in het Engels: Nipple Confusion).

De verschillende opvattingen vanuit diverse beroeps- of belangengroepen zijn verwarrend, zeker voor ouders die borstvoeding (willen) geven.

De NOMASwerkgroep Nederland, bestaande uit logopedisten die een van de twee NOMAScertificeringscursussen gegeven door Marjorie Palmer in Nederland gevolgd hebben, heeft, op grond van uitgebreid literatuuronderzoek, zijn standpunt met betrekking tot speen – tepelverwarring bepaald en, met een aantal aanbevelingen, op papier gezet.

Wij vinden het belangrijk dat er nu een logopedisch standpunt is en we vragen aan u om uw leden, collega’s en andere betrokkenen hiervan op de hoogte te brengen.

De werkgroep staat uiteraard open voor reacties, aanvullingen en nieuwe bevindingen.

 

Met vriendelijke groet,

Namens de NOMASwerkgroep Nederland,

Saakje da Costa

Lenie van den Engel – Hoek,

Logopedisten

Correspondentie:

s.p.dacosta@planet.nl

Nipple Confusion, tepel - speenverwarring ... hoe zien wij dat als het gaat om gezonde, op tijd geboren baby’s?

De NOMAS werkgroep Nederland onder redactie van S. P. da Costa en . L. van den Engel - Hoek, logopedisten.

Regelmatig vragen kinderverpleegkundigen, ouders, artsen, lactatiekundige en andere mensen die zich met borstvoeding bezighouden wat onze ideeën als logopedist zijn over speen -tepelverwarring. Uit een literatuurinventarisatie najaar 2003 blijken met name 2 artikelen aanknopingspunten tot definiëring en praktische adviezen voor ons te geven.

M. Neiffert en R. Lawrence (1995) maken onderscheid tussen zuigverwarring type A en type B.

 

Bij type A heeft het kind problemen (na het aanbieden van een speen) met borstvoeding.

 

Bij type B heeft het kind moeite om (na een aantal weken of maanden) van de borst op een fles over te stappen. Zij maken onderscheid in moeder - en kindfactoren.

 

In dit stuk zullen we vooral ingaan op type A. Het probleem manifesteert zich als de speen is geïntroduceerd vóórdat de borstvoeding helemaal succesvol is gestart. Het zou vooral voorkomen als de flow uit de speen hoger is en er meer voeding voorhanden is dan van de borst. Verder zouden baby’s die moeite hebben met hun eerste pogingen bij borstvoeding vaker nipple confusion laten zien. Niet alleen omdat de slechte drinker sneller de fles krijgt, maar een kind dat niet geleerd heeft de tepel te pakken en correct op de tepel te zuigen heeft de neiging de fles te ervaren als gemakkelijker en meer belonend dan de borst.

 

Belangrijk om te bedenken is, dat het drinken in de eerste weken volledig reflexmatig is en dat het dus de vraag is of het geven van een speen of laten drinken uit een fles invloed heeft op deze reflexmatige activiteit. Je zou je zelfs af kunnen vragen of je bij een slechte drinker deze reflexactiviteit niet zo veel mogelijk zou moeten stimuleren: dus juist wel een fles aanbieden als het niet lukt. Dit sluit aan op de ervaring van lactatiekundige. Kassing (2002) die ook een methode beschrijft voor het gebruik van de fles bij het bevorderen van borstvoeding.

 

We zijn gekomen tot de volgende aanbevelingen:

1. Zuigelingen kunnen de borst weigeren omdat in die eerste 2 dagen vaak niet meer dan 30 cc moedermelk geproduceerd wordt terwijl er veel meer via de fles (kan) worden aangeboden. Je zou dan kunnen veronderstellen dat speen/tepelverwarring voorkómen kan worden door de baby, als dat echt noodzakelijk is, niet meer dan 20 cc per voeding met de fles te geven.

 

2.Als er om bepaalde redenen tijdelijk geen borstvoeding gegeven kan worden, moet de baby de fles aangeboden krijgen. Andere toedieningsvormen zijn waarschijnlijk niet zonder risico want ze ontnemen de natuurlijke behoefte van de baby om te zuigen en vergroten de kans op verslikken en aspiratie. Flesvoeding heeft onze voorkeur boven vingervoeden, omdat de zuigeling op een vergelijkbare manier als bij het drinken uit de borst het zuigen in reeksen, slikken en ademen kan ervaren en leren. Daarbij is het wel belangrijk op de hieronder genoemde punten (3 en 4)te letten.

 

3.Bij het aanbieden van de fles moet zorgvuldig gelet worden op het uitlokken van de rooting - reactie (tepelzoekreactie), het wijd openen van de mond en het licht naar buiten komen van de tong voordat de speen in de mond wordt gebracht.

 

4.De speen moet:

- een klein gat hebben, of

- een ventiel hebben (zoals een Haberman Feeder), zodat alleen door zuigbewegingen melk in de mond kan maken,of

 

Voordat de speen in de mond komt de fles op de kop houden en er melk uit laten d druppelen

5.Als de moedermelkproductie en het zuigen goed op gang is, is er geen gevaar voor nipple confusion

 

AlAls je als ouders van plan bent om na een bepaalde tijd (gedeeltelijk) op de fles over te stappen, is het verstandig al vroeg (vóór de zesde week) dagelijks een flflesje aan te bieden om flesweigering na de periode van orale reflexactiviteit alals de overgang komt van reflexmatig naar willekeurig zuigen, te voorkómen.

 

F Februari 2004

B Besproken literatuur:

MNeiffert en R. Lawrence (1995) Nipple confusion: Toward a formal definition JJournal of Pediatrics, Vol 126, Number 6

D.Kassing (2002) Bottle-Feeding as a Tool to Reinforce Breastfeeding, J Hum Lact

Volledige literatuurstudie is op te vragen bij de auteurs.

De 10 vuistregels van de W.H.O.

* een goed borstvoedingsbeleid
* deskundige begeleiding
* voorlichting aan aanstaande ouders
* de eerste borstvoeding kort na de bevalling
* goed aanleggen en zo nodig kolven
* moeder en kind blijven bij elkaar
* borstvoeding op verzoek
* geen speen of fopspeen
* samenwerking met borstvoedingsgroepen


(y) (y) (y) (y) (y) (y) (y) (y)